Nieuws
Printversie

Artikel Elsevier

ONDER VERDOVING

Nieuwe middelen, toedieningsmethoden en bewakingstechnieken hebben de anesthesie sterk verbeterd.

José van der Sman
Elsevier jaargang 56, nummer 25, 24 juni 2000

Tot voor kort was het de horrorervaring van menig patiënt. Het vooruitzicht van een van de jaarlijkse 1,3 miljoen verdovingen was zelfs angstaanjagender dan de operatie. Maar revolutionaire vernieuwingen hebben de anesthesie veiliger gemaakt. Zoals het gebruik van aparte medicijnen om de patiënt buiten bewustzijn te brengen, de pijn te bestrijden en de spieren te verslappen. De uitvinding van snel werkende stoffen. De verfijning van de ruggenprik. En nieuwe superapparaten om lichaamsfuncties te bewaken.

In het echt ziet het kloppende hart er uit als een wit ballonnetje besmeurd met rode waterverf. Op het beeldscherm heeft het meer iets weg van een traag zwemmende kwal in een donker aquarium. Terwijl twee hartchirurgen in operatiekamer 24 van het Universitair Medisch Centrum Utrecht een defecte heup repareren, toont anesthesioloog Arno Nierich zijn nieuwste aanwinst: de transesphageale echo. Via de slokdarm heeft hij een sonde achter het hart van de patiënt aangebracht. Die biedt hem tijdens de operatie een prachtig beeld van de klopkracht, de doorbloeding van de aderen en het openen en sluiten van de kleppen van dit orgaan. 'Ik zie niet mijn apparaatje meer dan zij met hun blote oog,' zegt hij net zacht genoeg dat de chirurgen het niet kunnen horen.

Deze echo is niet het enige nieuwe high-techsnufje in zijn 'keukentje', zoals Nierich de hem toebedeelde vier vierkante meter aan het hoofd van de operatietafel aanduidt. Met de transcraniële doppler bijvoorbeeld kan hij de doorbloeding van de hersenvaten in de gaten houden en alarm slaan als er een uit het hart losgeraakt partikel zichtbaar wordt.

Ook de wat oudere apparaten blijven hem dierbaar: de metertjes voor de temperatuur, de polsslag, de bloeddruk, de ademvolume en -frequentie, het zuurstofgehalte in het bloed, het koolzuurgehalte van de uitgeademde lucht, de mate van spierverslapping en vele andere zaken. Tezamen maken ze het hem mogelijk om als een luchtverkeersleider de fysiologische gang van zaken in het onder verdoving gebrachte menselijke lichaam op de operatietafel te besturen en bewaken. Ze helpen hem de patiënt in staat van totale bewusteloosheid, gevoelloosheid en spierverslapping te brengen, gedurende de operatie in leven te houden en na de ingreep weer 'wakker' te laten worden. De gedachte aan zijn voorgangers, die nog maar enkele decennia geleden de conditie van een onder narcose gebrachte patiënt moesten aflezen aan de polsslag en de kleur van de lippen, doet hem rillen. 'Ze werkten in het duister. Geen wonder dat er zo veel doden vielen,' fluistert hij van achter zijn monddoekje.

De middelen

Er is de laatste tijd veel veranderd in het keukentje van de anesthesioloog. De mogelijkheden om een mens onder verdoving te brengen, zijn niet alleen sterk uitgebreid, ze zijn ook veel veiliger geworden. Meldde de roemruchte professor Bob Smalhout in 1972 nog gemiddeld tweehonderd doden per jaar, volgens de laatste telling sterven er nu op een jaarlijks aantal van 1,3 miljoen anesthesieën nog maar elf patiënten als direct gevolg van narcosefouten (zie 'Elf doden op tafel' in kader onderaan artikel). Die verbetering is te danken aan de vooruitgang die geboekt werd op alle terreinen van het vakgebied: de middelen, de toedieningsmethoden, de bewakingstechnieken, de opleiding en de procedures.

Oudere mensen kunnen zich de verschrikkingen van een mono-anesthesie nog wel herinneren. Zo noemt men achteraf de in de jaren vijftig en zestig gehanteerde methode om niet een en hetzelfde paardenmiddel bij de patiënt bewusteloosheid, pijnloosheid en spierverslapping te bewerkstelligen. Om pijnprikkels te kunnen uitschakelen, moest vaak een riskant hoge dosis van het spul, ether of een barbituraat, worden toegediend, met alle risico's en bijwerkingen van dien. (Zie ook 'Dreun op het hoofd' in kader onderaan artikel)

Volgens de Zwolse anesthesioloog Robbin Thieme Groen, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA), was de introductie in de jaren zestig van de gebalanceerde anesthesie een belangrijke mijlpaal in de moderne anesthesiologie. Met de komst van moderne medicamenten was het mogelijk geworden om de drie elementen van een geslaagde verdoving voortaan apart aan te pakken: de bewusteloosheid met een slaapmiddel of hypnoticum, de pijnbestrijding met een pijnstiller of analgeticum en de spierontspanning met een spierverslapper ofwel relaxans.

Deze drie-componentenaanpak maakte het mogelijk om van elk afzonderlijk middel de dosis af te stemmen op de conditie van de patiënt en de mate van pijn die te verwachten viel. Een enorme vooruitgang,' stelt Thieme Groen. Voortaan konden ook de zwakkere patiënten geholpen worden die een mono-anesthesie niet zouden hebben overleefd. De moderne anesthesie maakte ook meer ingewikkelde operaties mogelijk.

Het assortiment aan middelen werd in de loop der tijd ook sterk uitgebreid en verbeterd. Anesthesiologen kunnen nu, anders dan vroeger, kiezen uit een scala van stoffen om hun drie doelen te bereiken. In de jaren negentig zijn van een aantal van deze stoffen bovendien kortwerkende versies op de markt gekomen, die een verdere verfijning van de narcose mogelijk maken. Waren de meeste stoffen voorheen pas na lange tijd uitgewerkt, tegenwoordig is het mogelijk iemand enkele minuten onder verdoving te brengen en dan weer helder wakker te maken. Hoe korter een stof werkt, hoe minder giftig, dus boe minder risico's en bijwerkingen die heeft.

Wake-up-test

De verbeterde middelen, in combinatie met veranderde toedieningsmethoden, hebben het anesthesie-ideaal van de 'stabiele narcose' dichterbij gebracht. Vooral bij lange en zeer ingrijpende operaties is het beter de mate van pijnbestrijding aan te passen aan de chirurgische gang van zaken. Thieme Groen: 'Bij de pijnbestrijding gaat het er niet alleen om de patiënt niets te laten voelen, maar ook om de fysiologische stressreactie in het lichaam - denk aan stijging van de bloeddruk - onder controle te houden zodat die geen blijvende schade veroorzaakt. Die stressreactie hangt sterk samen met wat de chirurg aan het doen is. Bij het doorzagen van het borstbeen bijvoorbeeld, zal die veel groter zijn dan bij het afhechten van de operatiewond. Dankzij de verfijning van onze middelen en technieken kunnen we daar tegenwoordig tijdens de narcose op inspelen.' Sterker: patiënten kunnen tijdens de operatie met opzet kortdurend bij bewustzijn gebracht worden om een vraag van de chirurg te beantwoorden, vertelt Cor Kalkman, hoogleraar anesthesie te Utrecht: 'De zogenoemde wake-up-test wordt onder andere toegepast bij grote operaties aan de wervelkolom en bij een nieuwe operatie om urine-incontinentie te verhelpen. Om tijdens de ingreep te kunnen bepalen of die operatie geslaagd is zonder schade aan het ruggenmerg te hebben veroorzaakt, wordt de patiënt gevraagd even met zijn tenen te wiebelen. Bij de incontinentieoperatie wordt de patiënt gevraagd even te hoesten. Direct erna mag hij of zij weer verder slapen. De meesten herinneren zich hier achteraf niets van.' (Zie ook 'Ruis tijdens de roes')

Al met al hebben het differentiëren en het verbeteren van de middelen de anesthesie veel veiliger en minder ingrijpend gemaakt. 'Alle stoffen zijn nu binnen 24 uur weer het lichaam uit, 'benadrukt Kalkman. 'Als mensen daarna nog last hebben van bijvoorbeeld moeheid en concentratieverlies, dan is dat niet te wijten aan de narcose, maar aan het feit dat het lichaam tijdens de operatie "gewond" is geraakt.' De bijwerkingen van de narcose blijven beperkt tot de uren direct na de operatie. Wat dat betreft heeft Thieme Groen boven aan zijn verlanglijst een stof staan die gegarandeerd geen misselijkheid, braken of vermoeidheid veroorzaakt: 'De kater die veel mensen in de uren na een algehele narcose ervaren, is niet gevaarlijk, maar wel erg belastend. Ik zou hun die graag besparen.' Verder wachten anesthesiologen met smart op een kortdurend plaatselijk verdovingsmiddel: 'Ruggenprikken zijn pas na twee tot vier uur uitgewerkt. Dat moet veel sneller kunnen. Er wordt door de farmaceutische industrie hard aan gewerkt,' aldus Thieme Groen.

De methoden

Ook in de methoden van toediening is sinds de jaren zeventig enorme vooruitgang geboekt. Het gebruik van het eens zo onvermijdelijke kapje werd steeds verder teruggedrongen, ten gunste van de injectienaald. 'Aan het kapje kleefden veel bezwaren,' vertelt Cor Kalkman. 'Om te beginnen duurde het enige tijd voordat de patiënt het bewustzijn verloor. In die tijd raakte hij door de gebruikte middelen wel in staat van opwinding, begon om zich heen te slaan en moest met man en macht vastgehouden worden. Al met al voor alle partijen een nare ervaring.' Bovendien waren de bijwerkingen van de toenmalige inhalatienarcose groot: zware hoofdpijn, misselijkheid en braken.

Toch is het kapje nog steeds niet weg te denken uit het assortiment van de anesthesioloog. Sommige patiënten zijn panisch voor de prik die nodig is om het infuus in te brengen waarmee de anesthesie wordt ingeleid. Met de nieuwe inhalatie-anesthestica kunnen zij veilig en snel in slaap worden gemaakt. Vooral bij kinderen wordt het kapje nog veelvuldig gebruikt. Zowel het apparaat waarmee de narcosedamp wordt toegediend, als de gebruikte middelen zijn in de loop der jaren sterk verbeterd. Men kan het gas tegenwoordig met veel grotere precisie doseren en voortdurend meten hoeveel gas de patiënt in- en uitademt. Ook is er sinds kort een middel op de markt dat zeer snel werkt - in anesthesiologenjargon: een korte in- en uittijd heeft - en minder prikkelend is voor de slijmvliezen.

Ook wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een kringloopsysteem om het uitgeademde gas op te vangen, te reinigen en opnieuw te gebruiken. Dat scheelt veel geld, de nieuwe dampvormige anesthetica zijn duur, en het spaart het milieu in de operatiekamer en erbuiten. Het hogere percentage miskramen bij vrouwen die in de operatiekamer werken, wordt geweten aan de voortdurende blootstelling aan narcosegassen. Er is wel eens berekend dat er wereldwijd jaarlijks achtduizend ton cfk-houdende narcosegassen door de schoorstenen van ziekenhuizen de atmosfeer in worden geblazen.

Het intraveneus toedienen - dat wil zeggen niet een injectienaald via het infuus direct in de bloedbaan inbrengen - van een anestheticum is volgens Cor Kalkman van het Universitair Medisch Centrum Utrecht veel minder belastend voor de volwassen patiënt, de uitzonderingen met prikangst daargelaten. Zeker nu er gewerkt kan worden met een zalfje dat de hand waarin de naald aangebracht moet worden even plaatselijk verdooft. De intraveneuze methode heeft voor de anesthesist het grote voordeel dat hij zijn middelen met een hand- of computergestuurd pompje druppelsgewijs, dus subtiel gedoseerd, kan toedienen. Dat past goed bij het beleid om ook tijdens de operatie de diepte van de narcose te laten variëren en de patiënt zodra de operatie afgerond is wakker te laten worden.

Een andere grote vooruitgang in de toedieningsmethoden is zonder meer de ruggenprik die hier sinds de jaren zeventig wordt toegepast. Die maakt het mogelijk alleen het onderlichaam te verdoven, terwijl de patiënt bij bewustzijn blijft of hooguit op eigen verzoek in lichte slaap wordt gebracht. Kalkman somt de voordelen op: 'Je kunt als patiënt helder en wakker blijven, je hoeft niet bang te zijn voor controleverlies, je kunt de hele operatie bewust meemaken, wat bijvoorbeeld voor de meeste vrouwen die een keizersnede moeten ondergaan grote winst is, en je bent na afloop niet misselijk of suf.'

Er zijn twee manieren om de zenuwbanen in de rug, waardoor de pijnprikkels van het onderlijf naar de hersenen geleid worden, tijdelijk te blokkeren. Bij de epidurale methode worden via een infuus pijnstillende middelen in de vetruimte rondom het ruggenmerg gedruppeld. Deze methode heeft het nadeel dat het een half uur duurt eer het onderlijf volledig verdoofd is, maar het voordeel dat het infuus ook na de operatie kan blijven zitten voor de pijnbestrijding.

Is er haast geboden of valt het na de operatie wel mee met de pijn, dan hanteren anesthesiologen de spinale methode, waarbij een veel kleinere hoeveelheid verdovingsvloeistof dichter bij het ruggenmerg wordt ingebracht. Deze eenmalige prik werkt snel. Vroeger moest er een dikke naald voor gebruikt worden, wat pijnlijk was maar bovendien bij een op de vier patiënten na afloop van de ingreep enkele dagen barstende hoofdpijn veroorzaakte. In de jaren tachtig is er een nieuwe naald op de markt gekomen die ultradun is en een stompe punt heeft waardoor de pijn van de prik en de kans op hoofdpijn spectaculair gereduceerd zijn.

Het principe van perifere zenuwblokkades wordt inmiddels op steeds meer lichaamsdelen toegepast. Met een prik in de oksel kan een arm plaatselijk verdoofd worden. Met een prik in de bil schakelt men een been uit. Ook het oog kan men regionaal verdoven. Ongeveer 30 procent van alle operaties in Nederland vindt plaats met een of andere vorm van regionale anesthesie. De nieuwe methodes hebben het mogelijk gemaakt om veel operaties in dagbehandeling te doen. De patiënt komt 's ochtends nuchter naar het ziekenhuis, wordt in de loop van de dag geopereerd met een regionale anesthesie of kortwerkende narcose en mag enkele uren na de ingreep weer naar huis. Nieuw is verder het gebruik van de epidurale verdoving als vierde component van een grote narcose bij zware operaties. Thieme Groen: 'We gebruiken het dan om de stresshormonen te blokkeren die het lichaam maakt als reactie op een chirurgische ingreep, en die zich via de zenuwbanen in de rug verspreiden. En om onmiddellijk na de operatie de pijn effectief te kunnen bestrijden.'

De technieken

Op OK 3 van het gloednieuwe Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht wordt een achtjarige jongen aan zijn ingewanden geopereerd. Aan het hoofdeinde van de operatietafel is alleen zijn kruin met zwart haar zichtbaar. Zijn hoofd en schouders zijn geheel bedekt met doeken. 'Dan blijft hij lekker warm,' zegt anesthesioloog en chef de clinique Lidy Floor. Af en toe tilt ze de doeken even op om er een blik onder te werpen. Maar verder maakt ze er geen geheim van volledig op de haar omringende apparaten te vertrouwen. Want: 'Ze vertellen me meer dan ik met het blote oog kan zien.'

Tastte de anesthesioloog een kwart eeuw geleden nog min of meer in het duister als het om de conditie van zijn patiënt ging, tegenwoordig kan hij vrijwel alles wat er in het lichaam gebeurt op monitoren aflezen. Verandert er iets, dan past hij zijn beleid aan. Dat doet hij nu nog niet de hand, maar in de toekomst gaat dat misschien automatisch gebeuren. In Groningen wordt onder supervisie van hoogleraar Mark Wierda onderzoek gedaan naar zogenoemde effectgestuurde toedieningssystemen, waarin verandering van een relevant fysiologisch gegeven van de patiënt tijdens de operatie automatisch leidt tot de bijstelling van een anestheticum.

Een ding had zowel Thieme Groen als Kalkman nog op het verlanglijstje staan: een apparaatje waarmee de diepte van het bewustzijnsverlies gemeten kan worden. Kalkman: 'Dat zou ideaal zijn. Nu moeten we nog gewoon aannemen dat we een patiënt voldoende hypnoticum hebben gegeven om zijn bewustzijn uit te schakelen. Heel af en toe zitten we er met onze dosering naast en meldt een patiënt achteraf alles min of meer bewust meegemaakt te hebben. De pijnstillers en spierverslappers hebben dan wel afdoende gewerkt, maar het slaapmiddel niet. Die awareness, zoals wij dat noemen, kan voor de patiënt een zeer angstwekkende ervaring zijn.'

Op Kalkmans bureau staat een blauw apparaatje dat via drie op het hoofd geplakte elektroden de elektrische hersenactiviteit meet. Hoe minder activiteit, hoe minder bewustzijn. Zo simpel als het lijkt, zo groot zal volgens Thieme Groen de invloed van het uit de Verenigde Staten afkomstige ding worden op de kwaliteit van de narcose: 'Het zal een grote vooruitgang betekenen omdat we hiermee voortaan ook de slaapcomponent van de narcose kunnen "titreren". Dat wil zeggen aanpassen aan de behoefte van de patiënt, en aan het stadium waarin de operatie verkeert.' Mark Wierda relativeert: 'Anesthesiediepte is meer dan alleen bewustzijnsverlaging. Gedeeltelijk moet het worden afgeleid uit wat zich in de hersenstam en het ruggenmerg afspeelt. Daar hebben we voorlopig nog geen zicht op.'

Een ander mooi toestel waarmee door anesthesiologen gewerkt wordt, zuigt het bloed van de operatiewond weg, zuivert en concentreert het, bewerkt het met extra zuurstof en pompt het al tijdens de ingreep terug in de bloedbaan van de patiënt. 'Bloed is een schaars en kostbaar goed geworden, en ondanks alle controlemaatregelen nooit honderd procent veilig. Wat is er mooier dan de patiënt zijn eigen gezuiverde en opgepepte bloed terug te geven?' aldus Thieme Groen. In de OK is de anesthesioloog verantwoordelijk voor alle infusies, dus ook voor die van het bloed.

Het derde nieuwe apparaat is vooral van belang bij grote vaatoperaties waarbij de hele lichaamsslagader moet worden vervangen. Het meet de situatie van het centraal zenuwstelsel door een stroompje door het ruggenmerg te sturen. Thieme Groen: 'Als het ruggenmerg enige tijd geen bloed meer krijgt omdat er iets in het vaatstelsel mis gaat, kan een dwarslaesie ontstaan. Met dit apparaat kan dat voorkomen worden.'

Apparaten hebben voor de anesthesioloog vooral een meet- en alarmfunctie. Als er iets misgaat in het lichaam op de operatietafel moet de anesthesioloog razendsnel kunnen ingrijpen. Reden waarom Cor Kalkman zijn vak vergelijkt met dat van de brandweerman: '90 procent afwachten, 10 pro- cent terror.' Een opleiding van elf jaar, zes jaar geneeskunde en vijf jaar specialisatie, is nodig om in die situaties te weten wat je te doen staat. 'Bij twijfel kunnen we niet even naar de bibliotheek lopen,' grapt Kalkman. Veelbesproken, maar nog niet in gebruik, is de zogenoemde intelligente monitor die in Delft ontwikkeld wordt. Die zou alle lichaamsgegevens aan elkaar koppelen en de anesthesioloog in crisissituaties kunnen adviseren. Thieme Groen gelooft er niet zo in: 'De variabelen zijn zo talrijk dat het moeilijk wordt ze in een computerprogramma te vangen.' Kalkman ziet meer heil in het op een computer beschikbaar maken van een bieb in de OK, een databank waar razendsnel iets in opgezocht kan worden.

De procedures

Ze mogen dan een heilig geloof hebben in de hen omringende techniek, als het erop aankomt vertrouwen anesthesiologen vooral op hun vakkennis, ervaring, stressbestendigheid en reactiesnelheid. Van piloten hebben ze in de jaren tachtig de gewoonte overgenomen om voor de start in de OK alles middels een standaardprocedure te controleren. Thieme Groen: 'Is dit wel de juiste patiënt? Ligt de goede operatiekant voor? is zijn gebit verwijderd? Zijn er bijzonderheden om rekening mee te houden? Vroeger controleerden we ook de apparaten, maar tegenwoordig doen die dat uit zichzelf.'

Toch kan het beter. Anesthesioloog Ton Schouten van het Wilhelmina Kinderziekenhuis is een warm pleitbezorger van het 'keten-denken' zoals dat in Utrecht al uitgevoerd wordt. Om verrassingen In de OK uit te schakelen, zou iedere operatiepatiënt van te voren poliklinisch door een anesthesioloog ondervraagd en eventueel onderzocht moeten worden. In een moeite door kan hij de patiënt dan ook goed voorlichten, zijn angsten en vooroordelen wegnemen en hem naar zijn voorkeur voor een bepaald type verdoving vragen. Na de operatie zou hij niet alleen in de uitslaapkamer en intensive care intensief bij de behandeling betrokken moeten blijven. Ook op de zaal en in de polikliniek zou hij moeten worden ingezet voor de verdere bestrijding van pijn, misselijkheid en eventuele andere postoperatieve klachten. Zo'n uitbreiding van taken voor en na de operatie zou de kwaliteit van de anesthesiologische zorg nog verder kunnen verhogen, is Schoutens overtuiging.

Het past zeker in de trend van anesthesiologen om hun vleugels ook buiten de operatiekamer uit te slaan. Ze spelen inmiddels een belangrijke rol bij alle vormen van pijnbestrijding, bij de intensive care en bij het verlenen van spoedeisende hulp. In de operatiekamer zelf hebben ze met hun sterk verbeterde middelen, methoden en technieken de enorme vooruitgang in de chirurgie mogelijk gemaakt en zo qua status en invloed een volwaardige plaats naast de snijdend specialist veroverd. Buiten de operatiekamer, in de ogen van de patiënten, zijn ze naar ze zelf hopen geëvolueerd van griezels die met je leven speelden, tot hooggekwalificeerde specialisten die je onder de meest barre lichamelijke omstandigheden in leven weten te houden.

Elf doden op tafel

Aanvankelijk werd hij verguisd, later bejubeld. Met zijn inaugurele rede De dood op tafel onthulde de Utrechtse hoogleraar anesthesiologie Bob Smalhout 25 jaar geleden dat er in Nederland jaarlijks tweehonderd mensen overlijden door anesthesiefouten. Het werd de aanzet tot een sterke verbetering van de opleiding en werkwijze van anesthesiologen.

Nieuw onderzoek in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) wees in 1998 uit dat de risico's van en anesthesie aanzienlijk zijn gedaald. Er worden nu per jaar twee keer zo veel anesthesieën uitgevoerd als ten tijde van Smalhouts rede: 1,3 miljoen in totaal. Van dat aantal overlijden 1144 mensen tijdens of binnen een etmaal na de ingreep. De meesten verkeerden van tevoren al in een slechte conditie en wisten dat de ingreep riskant zou zijn. Bij 182 mensen per jaar is de anesthesie een van de oorzaken van overlijden. Andere factoren spelen ook een rol.

Bij elf van de 182 mensen was de anesthesie de enige en directe reden voor de dood van de patiënt. Er hoeft niet per se een fout gemaakt te zijn, maar er gebeurt wel iets waarop de anesthesioloog niet was voorbereid. Kalkman: 'Denk aan een onverwacht heftige allergische reactie op het toegediende middel. Dat kan zo snel gaan dat er geen tijd meer is voor tegenmaatregelen. Het in kort tijd en zonder waarschuwing verliezen van een patiënt is de nachtmerrie van iedere anesthesioloog,' aldus Kalkman. Hij prijst zich gelukkig dat hij het zelf nog nooit heeft meegemaakt.

Het rapport noemt echter ook zaken als 'het slecht op peil houden van de bloedsomloop' en 'onvoldoende bewaking van de ademhaling'. met het rapport in de hand wordt door de NVA gewerkt aan verbeteringen om het cijfer van elf doden op tafel verder omlaag te krijgen.

Dreun op het hoofd

Een zware dreun op het hoofd, gewurgd worden tot je het bewustzijn verloor; zoveel opium slikken dat je er in bleef, of gewoon buiten westen raken van de pijn. Dat waren tot halverwege de negentiende eeuw zo'n beetje de opties van een patiënt die een operatie moest ondergaan. Geen wonder dat de uitvinding van de ethernarcose in 1846 te boek staat als een mijlpaal in de medische geschiedenis. Een halfjaar na het eerste experiment in Boston werd het al in Nederland toegepast. Ruim honderd jaar later was het, tezamen met inhalatie van lachgas nog steeds de meest voorkomende manier om iemand onder verdoving te brengen.

Emeritus hoogleraar J. Spierdijk uit Leiden kan het zich nog goed herinneren: 'De patiënt kreeg een kapje op zijn gezicht. Daar werd ether op gedruppeld en een doekje overheen gelegd. Heel voorzichtig, want het spul is zo brandbaar als de pest. Niet te veel tegelijk ook, want dan stond je zelf in de etherdampen. Na verloop van tijd kreeg de patiënt een gezonde rode blos op zijn wangen. Dat kwam omdat hij zijn eigen uitgeademde koolzuurgas weer inhaleerde en daardoor in een shock raakte.'

De etherverdoving, met zijn grote risico's en venijnige bijwerkingen, bezorgde de narcotiseur een slechte naam. De paar artsen die zich voor de oorlog met dit vakgebied toelegden, hadden het zwaar te verduren.

In Amsterdam werd narcose-arts hammes de 'stadsbedwelmer' genoemd. Pas ver na de oorlog raakte de anesthesie in een stroomversnelling van verbeteringen. Volgens C. Kalkman, hoogleraar anesthesiologie te Utrecht, is de angst van veel oudere mensen nog terug te voeren op de verschrikkingen van de ethernarcose: 'Ik merk dat jongere generaties al veel minder bang zijn.'

Ruis tijdens de roes

De bedoeling van een algehele narcose is natuurlijk dat je je als patiënt nergens van bewust bent tijdens de operatie, en je e er later ook niets van herinnert. De werkelijkheid is vaak anders, zo blijkt uit de vele onderzoeken naar het fenomeen 'awareness'. Heel veel patiënten blijken tijdens de narcose wel degelijk informatie te vergaren en in hun geheugen op te slaan.

Experimenten aan de Erasmus Universiteit en het Sint Clara Ziekenhuis in Rotterdam wezen uit dat patiënten die onder narcose een lijst woorden te horen kregen, deze na het ontwaken uit hun geheugen konden opdiepen. Volgens onderzoekster A. Bonebakker een bewijs dat de informatievergaring en verwerking van de hersenen ook op onbewust niveau doorgaat. Patiënten kunnen meeluisteren, waarschuwt zij in haar proefschrift. En dat maakt ben kwetsbaar. Iedereen rond de operatietafel moet hiermee rekening houden en op zijn woorden letten.

De Leidse anesthesiologe A. de Roode kwam in een vergelijkbaar onderzoek onlangs tot dezelfde bevindingen, maar ziet meer in het aanbrengen van oordopjes of een walkman met muziek bij de patiënt. Omdat ook de normale informatie die aan de operatietafel wordt uitgewisseld beangstigend kan zijn voor een patiënt.

Het komt in Nederland naar schatting per jaar 1560 keer voor dat mensen zich onbedoeld handelingen of opmerkingen uit de OK kunnen herrinneren. Heel af en toe is de 'awareness' zo groot dat een patiënt van minuut tot minuut precies weet wat er om hem heen gebeurt. Hij kan dat echter niet kenbaar maken, omdat zijn spieren zodanig zijn verslapt dat hij niets meer kan bewegen, zelfs de oogleden niet. Van deze ervaring zijn heel wat gruwelverhalen in omloop. Neem de man die alles van zijn zes uur durende hartoperatie meebeleefde: van de snerpende cirkelzaag in zijn ribbenkast tot de allerlaatste hechting...

Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie     tel: 030 - 2823385     fax: 030 - 2823856     e-mail: nva@anesthesiologie.nl     KVK 40531687