Zwangere vrouwen met een verhoogd risico

Onderstaand zullen een aantal aandoeningen beschreven worden waarbij zwangere vrouwen een verhoogd risico lopen rondom de bevalling. De meest voorkomende aandoeningen waarbij de anesthesioloog betrokken is, staan hieronder beschreven. 

Zwangere vrouwen met obesitas

Een zwangere vrouw met overgewicht (obesitas) heeft meer kans op het optreden van complicaties tijdens de zwangerschap, rondom de bevalling en na de bevalling.

Obesitas wordt gedefinieerd als een BMI ≥30kg/m2. U kunt uw BMI berekenen door uw gewicht (kg) te delen door uw lengte (meter) in het kwadraat. Dit zijn complicaties op gynaecologisch gebied, zoals een hoge bloeddruk tijdens de zwangerschap en een grotere kans op een keizersnede. Ook treden er op anesthesiologisch gebied vaker complicaties op, zoals een grotere kans op het falen van een epidurale of spinale verdoving (ruggenprik) en een groter risico ‘bij narcose (algehele anesthesie). Uw verloskundige kan u daarom ook adviseren om in het ziekenhuis te bevallen. Hierover zijn per regio in Nederland afspraken gemaakt.

Afhankelijk van het beleid in uw ziekenhuis, kan de gynaecoloog besluiten u naar de anesthesioloog te verwijzen voorafgaand aan uw bevalling. Dit is mede afhankelijk van uw algemene gezondheid en de ernst van de obesitas. Tijdens dit gesprek zal de anesthesioloog uitleggen wat de voor- en nadelen zijn van de anesthesiemogelijkheden (met in het bijzonder de ruggenprik) en hoe deze gegeven wordt. De anesthesioloog zal ook met u bespreken wat eventuele mogelijkheden zijn om de kans op complicaties te verkleinen, zoals het vroegtijdig plaatsen van een ruggenprik (epiduraal) tijdens de bevalling. Hierdoor kunt u langer de weeën opvangen en kan een eventuele kunstverlossing minder pijnlijk zijn. Wanneer u namelijk al pijnlijke weeën hebt, is het moeilijker om u nog snel een ruggenprik te geven. Bovendien kan de epiduraal gebruikt worden om een eventuele spoedkeizersnede te kunnen uitvoeren. en de kans op een volledige narcose te verkleinen. Tevens heeft u de gelegenheid om vragen te stellen aan de anesthesioloog.

Terug naar start van de pagina

Zwangere vrouwen met een hartaandoening

Tijdens de zwangerschap vinden er allerlei veranderingen plaats in het lichaam van de zwangere vrouw, die de foetus in staat stellen om zich te ontwikkelen. Zo neemt onder andere het totale bloedvolume van de zwangere vrouw toe, wat betekent dat het hart harder moet werken.

Bij een gezonde zwangere vrouw kan het hart kan deze veranderingen goed opvangen, maar voor een zwangere vrouw met een hartaandoening is dit niet vanzelfsprekend. Zwangere vrouwen die een hartaandoening hebben, zoals bijvoorbeeld een ventrikelseptumdefect of een hartklepafwijking, kunnen daarom een hoger risico hebben tijdens de zwangerschap en rondom de bevalling. Om de kans op complicaties zo klein mogelijk te houden, kan geadviseerd worden om in het ziekenhuis te bevallen.

Afhankelijk van de afspraken die in uw ziekenhuis gelden, kan het zijn dat u wordt opgeroepen om langs te komen op de poli anesthesiologie (of er wordt een telefonisch consult verricht). Tijdens dit gesprek zal de anesthesioloog vragen stellen over uw algemene gezondheid en zal hij u uw hart en longen onderzoeken. De anesthesioloog zal dan, in overleg met de gynaecoloog en eventueel de cardioloog, de mogelijkheden bespreken om u zo goed mogelijk te ondersteunen tijdens de bevalling. Dit kan bijvoorbeeld door het vroegtijdig plaatsen van een ruggenprik (epiduraal) of door een plan op te stellen voor een eventuele spoedsituatie. Door de ruggenprik ervaart u minder stress en minder pijn tijdens de bevalling, waardoor het hart minder belast wordt. Tevens zal de anesthesioloog uitleggen wat de voor- en nadelen zijn van de ruggenprik en hoe deze gegeven wordt. Tot slot heeft u de gelegenheid om vragen te stellen.     

Terug naar start van de pagina

Zwangere vrouwen met een stollingsstoornis

Zwangere vrouwen met een stollingsstoornis, zoals de ziekte van von Willebrand of hemofilie, lopen meer risico op een bloeding tijdens of na de bevalling. Om de kans op complicaties zo klein mogelijk te houden, wordt vaak het advies gegeven om in het ziekenhuis te bevallen.

Meestal wordt je dan wordt opgeroepen om langs te komen op de poli anesthesiologie (of er wordt een telefonisch consult verricht). Tijdens dit gesprek stelt de anesthesioloog vragen over je algemene gezondheid wordt er een lichamelijk onderzoek gedaan. Tijdens dit consult zal er uitgelegd worden welke mogelijkheden er zijn om het bloedverlies tijdens de bevalling te beperken en hoe bloedverlies (preventief) zal worden behandeld. Hiervoor kan tevens advies worden gevraagd van de hematoloog. 

Als de gynaecoloog het bloedverlies niet onder controle krijgt, bijvoorbeeld doordat er nog een stuk van de moederkoek (placenta) in de baarmoeder achtergebleven is, kan het nodig zijn om naar de operatiekamer te gaan. De anesthesioloog zal u dan een plaatselijke verdoving (ruggenprik) geven of onder narcose (algehele anesthesie) brengen, zodat de gynaecoloog de oorzaak van de bloeding aan kan pakken. Tijdens het gesprek zal de anesthesioloog toelichten hoe deze procedures zullen verlopen. Tot slot heeft u de gelegenheid om vragen te stellen. 

Terug naart start van de pagina

Zwanger en bevallen als Jehova’s getuige

Als u Jehova’s getuige bent dan wordt geadviseerd om in het ziekenhuis te bevallen om de kans op complicaties zo klein mogelijk te houden. Een complicatie van een bevalling is het optreden van groot bloedverlies. Afhankelijk van de afspraken die in uw ziekenhuis gelden, kan het zijn dat u voordat u gaat bevallen wordt opgeroepen om langs te komen op de poli anesthesiologie (of er wordt een telefonisch consult verricht). Als er een tekort aan bloed ontstaat tijdens de bevalling, kunnen we dit niet opvangen met een bloedtransfusie, omdat u bloedtransfusies weigert op grond van uw geloofsovertuiging.

De anesthesioloog zal daarom voorafgaand aan de bevalling met u bespreken wat u wel zou willen ontvangen en welke andere behandelingsmogelijkheden er zijn. Er kan medicatie toegediend worden die het bloed beter laat stollen, bijvoorbeeld tranexaminezuur, albumine en fibrinogeen. De voor- en nadelen van toediening van deze middelen zullen door de anesthesioloog met u besproken worden. Ook wordt het gebruik van de cellsaver besproken. Zo bent u goed voorgelicht over de mogelijkheden en kunt u een weloverwogen keuze maken over wat u wel en niet wilt. Dit kunt u vastleggen in uw wilsverklaring, welke opgenomen zal worden in uw medisch dossier. Zo is voor alle betrokken zorgverleners inzichtelijk wat uw wensen zijn ten aanzien van het ontvangen van bloedproducten/stollingsfactoren en het gebruik van de cellsaver. 

Indien er tijdens de bevalling sprake is van groot bloedverlies kan de gynaecoloog de hulp inschakelen van de anesthesioloog. Indien de desbetreffende arts gewetensbezwaren heeft, zal de arts de zorg voor u overdragen aan een collega die geen gewetensbezwaren heeft. In een spoedsituatie kan ook een andere anesthesioloog ingeschakeld worden, waarbij de kwaliteit van de zorg in de tussentijd gewaarborgd blijft. Als de gynaecoloog het bloedverlies niet onder controle krijgt, bijvoorbeeld doordat er nog een stuk van de moederkoek (placenta) in de baarmoeder achtergebleven is, kan het nodig zijn om naar de operatiekamer te gaan. De anesthesioloog zal u dan een plaatselijke verdoving (ruggenprik) geven of onder narcose (algehele anesthesie) brengen, zodat de gynaecoloog de oorzaak van de bloeding aan kan pakken. Tijdens het gesprek zal de anesthesioloog toelichten hoe deze procedures zullen verlopen.

Terug naar start van de pagina