Eén op de vier Nederlanders leeft met chronische pijn. Veel patiënten komen uiteindelijk in het pijncentrum terecht, vaak na een lange weg langs verschillende zorgverleners, met onderzoeken, behandelingen en adviezen die niet altijd tot verbetering hebben geleid. In de tweede lijn ontstaat dan vaak dezelfde vraag: wat kunnen we nog doen?
De Leidraad Organisatie en werkwijze zorg voor patiënten met chronische pijn stelt daarom een andere vraag centraal:
Waar en door wie kan deze patiënt het beste behandeld worden?
In die verschuiving hebben pijnspecialisten en pijncentra een sleutelrol. Niet alleen als behandelaar, maar als professional die samenhang bewaakt, richting geeft en helpt om keuzes te maken: wat voegt nog toe en wat niet meer? Dit sluit aan bij de leidraad, die pijncentra een regierol toedicht in op- en afschaling en in de samenwerking met de eerste en nulde lijn.
Deze set blauwdrukken helpt pijncentra om die rol concreet vorm te geven in de dagelijkse praktijk.
Door tijdig biopsychosociaal te triëren, te overleggen, te begrenzen, af te schalen en te ondersteunen bij afstemming in de regio ontstaat ruimte in pijncentra voor patiënten bij wie specialistische expertise daadwerkelijk het verschil kan maken. Ruimte om zorgvuldig te werken, om aandacht te hebben voor complexiteit en om keuzes niet onder tijdsdruk te hoeven nemen. Duidelijke kaders geven rust, voor patiënten én professionals. Patiënten weten waar zij aan toe zijn en hoeven niet eindeloos te blijven zoeken naar een volgende oplossing. Daarnaast zorgt tijdig overleg ervoor dat ook chronische pijnpatiënten die in de eerste lijn blijven dezelfde duidelijkheid ervaren.
Door specialistische zorg gericht in te zetten waar deze daadwerkelijk bijdraagt, wordt de kwaliteit van zorg verhoogd. Minder overbehandeling betekent meer aandacht voor begeleiding, functioneren en kwaliteit van leven. Zo komt de juiste zorg op de juiste plek, en blijven pijncentra beschikbaar voor die patiënten die echt specialistische zorg nodig hebben.